IPMN staat voor Intraductaal Papillair Mucineus Neoplasma. Van de cystes in de alvleesklier die de eigenschap hebben om zich te kunnen ontwikkelen tot een kwaadaardige tumor, is dit de meest voorkomende. Op deze pagina vind je wat IPMN is, wat symptomen kunnen zijn, welk onderzoek kan plaatsvinden en welke behandelingen er zijn.
- Wat is IPMN?
- Wat zijn risicofactoren van IPMN?
- Wat zijn symptomen van IPMN?
- Onderzoek en diagnose IPMN
- Welke behandelingen zijn er bij IPMN?
- Expertisecentra IPMN
- Hoe omgaan met de diagnose IPMN?
Wat is IPMN?
IPMNs komen ongeveer even vaak voor bij mannen als bij vrouwen, en het meest bij mensen boven de 40 jaar.
Bij een IPMN in de hoofdtak van de alvleesklier is de kans op kwaadaardigheid groter (62%) dan bij een IPMN in een zijtak (ongeveer een kwart). Grotere tumoren brengen meer risico’s met zich mee dan kleine.
IPMNs zitten voor 70% in de kop van de alvleesklier en voor 20% in het lichaam of de staart. In 5 tot 10% van de gevallen is er sprake van meer cystes.
Als de cyste kwaadaardig is maar wel geopereerd kan worden, is na 5 jaar 40% tot de helft van de patiënten nog in leven.
(Bron: gastrodelhi.com)
Wat zijn risicofactoren van IPMN?
Als je te maken hebt gehad met diabetes, een chronische alvleesklierontsteking, een maagzweer of als je insuline hebt gebruikt, is je kans op een IPMN groter. Als alvleesklierkanker in de familie zit is de kans op een IPMN ook groter.
Wat zijn symptomen van IPMN?
Een IPMN wordt meestal bij toeval ontdekt, als er om een andere reden een scan van de alvleesklier of omgeving wordt gemaakt.
Heeft de IPMN zich verder ontwikkeld, dan kun je een of meer van de volgende symptomen hebben:
- buikpijn.
- misselijkheid en braken.
- gewichtsverlies.
- (vet)diarree.
- geelzucht.
- acute suikerziekte.
- ontsteking alvleesklier.
Onderzoek en diagnose IPMN
Om vast te stellen of je een IPMN hebt en in welk stadium deze verkeert kunnen er een of meer van de volgende onderzoeken worden gedaan.
CT-scan
CT staat voor computertomograaf. Door middel van röntgenstraling worden met dit apparaat organen en weefsels gedetailleerd in beeld gebracht. Tijdens het onderzoek lig je op een beweegbare tafel, die langzaam door het apparaat (in de vorm van een ring) heen wordt geschoven. Vanuit een groot aantal hoeken rondom je lichaam wordt een hoeveelheid röntgenstraling uitgezonden, en vervolgens wordt in kleine stappen gemeten hoeveel straling is doorgelaten. De CT-scanner maakt daardoor een groot aantal foto’s. Van de vele dwarsdoorsneden wordt uiteindelijk door de computer een driedimensionale weergave gemaakt. Hierop kan de tumor en de relatie met het omliggende weefsel bekeken worden.
MRI-scan in combinatie met MRCP
Een MRI-scan komt op veel punten overeen met een CT-scan. Het grote verschil is echter dat in plaats van röntgenstraling, bij een MRI magnetische straling wordt gebruikt. Hierdoor is een MRI minder schadelijk dan een CT-scan. Een MRCP is een bepaalde vorm van een MRI, waarbij de galwegen, die deels door de alvleesklier lopen, goed zichtbaar kunnen worden gemaakt.
Het nadeel van een MRI-scan is dat de MRI-scanner veel groter is en veel lawaai maakt. Een MRI-scan is niet geschikt voor personen die metalen in hun lichaam hebben, deze worden aangetrokken door de magnetische straling. Daarnaast is de MRI niet geschikt voor mensen met claustrofobie.
EUS
Een EUS is een kijkonderzoek (endoscopie). Via de slokdarm wordt een flexibele slang in het lichaam geplaatst waar een echokop op is aangesloten. Op deze manier kan een inwendige echo worden gemaakt, een endoscopische echografie (Endoscopic UltraSonography). Verder kan de arts op deze manier een biopt te nemen. Er wordt dan een stukje weefsel weggenomen, wat vervolgens door een patholoog kan worden onderzocht onder de microscoop.
Welke behandelingen zijn er bij IPMN?
Voor de behandeling van IPMN baseren artsen zich op de Europese richtlijn:
4.-Europese-richtlijn-pancreascysten-2018.pdf.
Bij een IPMN die klein en niet kwaadaardig is en geen afvoerbuizen in de alvleesklier blokkeert, is het advies de tumor alleen te monitoren. Tenminste, dat geldt voor mensen die qua conditie überhaupt in aanmerking zouden komen voor een operatie. Dan krijg je op regelmatige basis een scan.
Als een IPMN te snel groeit, groter dan 4 cm wordt, en/of kwaadaardig is of dreigt te worden kan de cyste, mits je lichamelijke conditie het toestaat, met een operatie worden verwijderd. Ongeveer 15-20% van de patiënten komt hiervoor in aanmerking.
Operatie
Er zijn verschillende mogelijkheden, afhankelijk van de grootte, locatie en staat van de cyste.
Ook na de operatie zul je de rest van je leven gemonitord worden.
Verwijdering cyste
De cyste wordt verwijderd zonder omliggend weefsel. Dit gebeurt zeer zelden.
Whipple/PPPD
Bij Whipple operatie verwijdert de chirurg de kop van de alvleesklier, het laatste deel van de maag, de twaalfvingerige darm, de galblaas en een groot deel van de galbuis.
Tegenwoordig kan de maag bij de Whipple operatie meestal worden gespaard. Het voordeel van de maagsparende operatie (PPPD) is dat de voedselvertering na de operatie beter is en de patiënt minder last heeft van diarree.
Alvleesklierstaatresectie
Wanneer de tumor zich in het uiteinde (de staart) van de alvleesklier bevindt, zal de arts een alvleesklierstaartresectie uitvoeren. Vaak moet ook de milt worden verwijderd. Reden daarvoor is dat de bloedvaten van de milt vlak langs of door de alvleesklierstaart heen lopen en er belangrijke lymfeklieren in de buurt van de milt moeten worden verwijderd.
Totale alvleesklierresectie
Soms is het nodig de gehele alvleesklier te verwijderen.
Chemotherapie
Na en voorafgaand aan de operatie kun je chemotherapie krijgen. Dit is vergelijkbaar met de chemotherapie die je krijgt bij alvleesklierkanker.
Als je niet geopereerd kunt worden en de IPMN wel kwaadaardig is, kun je eventueel palliatieve chemotherapie krijgen.
Nieuwe behandelingen
Soms kun je een behandeling krijgen waar artsen nog onderzoek naar doen. Bijvoorbeeld een nieuwe behandeling, of een combinatie van behandelingen. Dit gebeurt dan in een wetenschappelijk onderzoek. Het heet een trial. Een overzicht van alle trials in en rondom de alvleesklier vind je hier.
Expertisecentra IPMN
Je krijgt je behandeling in een ziekenhuis dat ook alvleesklierkanker behandelt.
Hoe omgaan met de diagnose IPMN?
Vanaf het moment dat je te horen krijgt dat je mogelijk kanker hebt, krijg je te maken met grote onzekerheden. Hiermee omgaan is niet vanzelfsprekend. De periode van onderzoeken en behandelingen zijn erg zwaar, maar ook na de behandeling moet je leren leven met jouw nieuwe situatie. Dit geldt niet alleen voor jou als patiënt, maar ook voor jouw familie, vrienden en eventuele partner en kinderen. Er zijn organisaties die jou en jouw omgeving kunnen ondersteunen bij het leren leven met kanker, zowel binnen als buiten het ziekenhuis. Op deze website vind je hierover meer informatie onder hoe je je kunt voelen, of stel je vragen aan jouw (huis)arts.
Veel gestelde vragen en antwoorden
IPMN staat voor Intraductaal Papillair Mucineus Neoplasma. IPMNs zitten voor 70% in de kop van de alvleesklier en voor 20% in het lichaam of de staart van de alvleesklier.
Een IPMN wordt meestal bij toeval ontdekt. Heeft de IPMN zich verder ontwikkeld, dan kun je klachten hebben zoals:
- buikpijn.
- misselijkheid en braken.
- gewichtsverlies.
- (vet)diarree.
Bij een IPMN die klein en niet kwaadaardig is en geen afvoerbuizen in de alvleesklier blokkeert, is het advies de tumor alleen te monitoren.
Als een IPMN te snel groeit, groter dan 4 cm wordt, en/of kwaadaardig is of dreigt te worden dan kan de cyste, mits je lichamelijke conditie het toestaat, met een operatie worden verwijderd.

