skip to Main Content

Hieronder geven we meer informatie over medische woorden die je wellicht hebt gehoord, of vaker tegen zult komen als je je verdiept in alvleesklierkanker en de behandeling ervan.

Absorptie: als ons voedsel wordt afgebroken door het lichaam in de maag en darmen wordt het daarna opgenomen in het bloed, zodat het kan worden gebruikt door het lichaam.

Adjuvante therapie: aanvullende behandeling, zoals bijvoorbeeld chemotherapie of bestraling na een operatie.

Alvleeskliergang: een buisje in de alvleesklier waardoor het sap van de alvleesklier (wat enzymen en hormonen bevat) uit de alvleesklier naar het eerste deel van de dunne darm (duodenum) stroomt. In het latijn heet dit buisje de ductus pancreaticus. Ductus betekent buisje, of gang.

Alvleesklierenzymen: als de alvleesklier niet meer goed werkt, is er een tekort aan de stofjes die door de alvleesklier worden gemaakt, die helpen het voedsel te verteren. Er zijn medicijnen die de functie van deze stofjes overnemen.

Alvleesklierhormonen: de alvleesklier maakt hormonen (zie hormonen) die via het bloed verspreiden en zo processen in het lichaam beïnvloeden, zoals bijvoorbeeld insuline. Dit wordt ook wel de endocriene functie van de alvleesklier genoemd. De hormonen worden gemaakt in de eilandcellen van de alvleesklier.

Alvleeskliersap: de alvleesklier maakt ook alvleeskliersap aan, hierin zitten enzymen die het lichaam helpen met het afbreken en opnemen van voedsel uit de darm. Het sap uit de alvleesklier loopt via de alvleesklierbuis naar de dunne darm, waar het bij het voedsel komt. Dit wordt ook wel de exocriene functie van de alvleesklier genoemd.

Ampul van Vater: dit is de uitgang van de galwegen in de dunne arm. Hier komt de gal, samen met de stoffen uit de alvleesklier, in de darm terecht (en dus bij het voedsel dat wordt verteerd).

Benigne: goedaardig.

Bestraling: deze therapie gebruikt onzichtbare stralen (radiogolven) om kankercellen te vernietigen  (=radiotherapie).

Bilirubine: een geel stofje in de gal. Het is een afvalproduct van het lichaam (het komt vrij bij de normale afbraak van rode bloedcellen). Het veroorzaakt ook geelzucht; als er teveel bilirubine in het bloed voorkomt.

Biopsie: het wegnemen van weefsel uit het lichaam om dit te onderzoeken onder een microscoop. Dit wordt gedaan om een diagnose te kunnen stellen.

Chemoradiotherapie: het behandelen met chemotherapie en bestraling samen.

Chemotherapie: het behandelen met anti-kanker medicijnen die de kankercellen vernietigen. Dit kan via tabletten, maar ook via een infuus in het bloedvat.

Dunne darm: onderdeel van het verteringsstelsel in het lichaam. Na de mond, slokdarm en de maag is de dunne darm het volgende onderdeel. De dunne darm is tot wel 6 meter lang en komt uit in de dikke darm. De dunne darm wordt verdeeld is stukken met een andere naam. Het eerste deel het ‘duodenum’.

Duodenum: zie dunne darm.

Endoscopie: het met een camera in het lichaam beelden maken, bijvoorbeeld om een tumor in beeld te kunnen brengen. Voor alvleesklierkanker wordt vaak een slang via de mond binnen gebracht, die via de maag naar de dunne darm gaat, waar de uitgang van de galwegen bekeken kan worden (zie ook ERCP).

Enzymen: stofjes die worden gemaakt door klieren in het lichaam, waaronder ook de alvleesklier. Er zijn veel verschillende enzymen, die allen een andere taak hebben. Alvleesklierenzymen zijn er voor de afbraak van voedsel en drank.

ERCP: Endoscopische Retrograde Cholangio-Pancreaticografie brengt de galwegen en de afvoerwegen van de alvleesklier in beeld (zie ook endoscopie). Het onderzoek vindt plaats via een slang waaraan een kleine camera is bevestigd (een ‘endoscoop’).

Gal: een vloeistof die helpt bij het afbreken van ons voedsel. Gal wordt in de lever gemaakt en opgeslagen in de galblaas.

Galgang/galweg: een buisje tussen de lever, galblaas en de dunne darm waar de gal door stroomt. In het latijn heet dit buisje de ductus choledochus. Ductus betekent buisje, of gang.

Geelzucht: dit kan een symptoom zijn van alvleesklierkanker. Indien er teveel bilirubine in het bloed ophoopt, omdat de galwegen dit niet meer kwijt kunnen, wordt een patiënt geel. De tekenen van geelzucht zijn gele huid en oogwit en jeuk.

Glucose: een suiker in ons eten en drinken waar ons lichaam energie uit haalt. Ons lichaam zet glucose om in energie via insuline.

Hepato-biliair: het betreft de lever en galwegen. De lever en galwegen hebben nauwe relatie tot de alvleesklier. Artsen kunnen zich specialiseren op dit gebied en zijn dan bijvoorbeeld hepato-biliair chirurg.

Hormonen: chemische boodschapper-stofjes die door het bloed verspreiden en processen in het lichaam aansturen.

Insuline: een hormoon dat door de alvleesklier wordt gemaakt en dat het bloedsuiker niveau reguleert (zie ook glucose).

MDL (Maag-darm-lever)-arts: een arts in het ziekenhuis die is gespecialiseerd op het gebied van afwijkingen aan het verteringsstelsel, zoals maag, darm, lever en alvleesklier. Dit is niet een arts die opereert, maar voert wel de endoscopie uit.

Resectabele alvleesklierkanker: alvleesklierkanker die zich alleen in de alvleesklier bevindt. Er zijn dus geen uitzaaiingen (metastasen).
Lokaal uitgebreide alvleesklierkanker: de alvleesklierkanker heeft zich buiten de alvleesklier uitgebreid, naar de organen en bloedvaten die om de alvleesklier heen liggen. Er zijn dus geen metastasen (=Locally advanced pancreatic cancer, LAPC).

Lymfeklieren: kleine ronde structuren verspreid door het hele lichaam, die lymfevloeistoffen bevatten. Ze zijn onderling verbonden door lymfebanen en zijn onderdeel van het afweersysteem (immuunsysteem). Lymfeklieren zijn bij iedereen in het lichaam aanwezig en zijn niet direct uitzaaiingen. Wel kan kanker zich verspreiden via de lymfebanen naar lymfeklieren elders in het lichaam. Dan spreken we van lymfekliermetastasen.

Maligne: kwaadaardig, kanker.

Metastasen: uitzaaiingen van kanker elders in het lichaam.

Oncoloog: een arts die zich heeft gespecialiseerd in de behandeling van kanker. Een medisch oncoloog is een expert in behandeling met medicijnen. Een radiotherapeut (klinisch oncoloog) behandelt met bestraling.

Palliatieve behandeling: behandeling van de patiënt om pijn en symptomen van kanker te bestrijden. De behandeling heeft niet als doel de patiënt te behandelen voor de kanker en ook niet om te patiënt beter te maken. Palliatieve zorg heeft ook aandacht voor de emotionele, praktische en eventueel spirituele kant van de zorg, als genezen niet meer mogelijk is. Het is dus niet alleen voor patiënten die in de laatste fase van het leven zijn.

Pancreas: latijn voor alvleesklier.

Pathologie: het onderzoek van weefsel en cellen onder een microscoop. Een patholoog is een arts die hierin is gespecialiseerd en aan de hand van weefsels en cellen een diagnose kan stellen.

Radioloog: een arts die is gespecialiseerd in het bekijken van röntgenfoto’s, CT-scans en MRI-scans en aan de hand hiervan een diagnose kan stellen. De radioloog bekijkt ook op de scans of er bijvoorbeeld groei van de tumor is en of er sprake is van uitzaaiingen.

Radiotherapie: zie bestraling.

Steatorrhoe: vette diarree; dit wordt veroorzaakt door vet in de ontlasting. Symptomen kunnen zijn: ontkleurde ontlasting (stopverfontlasting), die er vet uitziet, erg kan stinken en moeilijk uit het toilet te spoelen is. Dit kan een symptoom zijn van alvleesklierkanker.

Uitgezaaide alvleesklierkanker: de tumor in de alvleesklier heeft zich verspreid naar andere delen van het lichaam. Dit worden ook wel metastasen, uitzaaiingen genoemd (=advanced alvleesklierkanker).

Upper gastrointestinal – upper GI: het bovenste deel van het verteringsstelsel. Dit omvat de slokdarm, maag, lever, alvleesklier, galblaas en galwegen.

Vetdiarree: zie steatorrhoe.

Voedingssupplementen: speciaal samengestelde drankjes, poeders en etenswaren met veel calorieën, waardoor je veel voedingsstoffen binnen krijgt en die je helpen aan te komen in gewicht.

Back To Top