Na de operatie van het ductaal adenocarcinoom van de pancreas (PDAC) vindt meestal een aanvullende behandeling plaats met chemotherapie, maar niet altijd. Om verschillende redenen kan een behandelend arts de patiënt adviseren om af te zien van zo’n aanvullende behandeling. Onderzoekers van de Dutch Pancreatic Cancer Group (DPCG) vonden in een internationale peiling onder oncologen dat er grote verschillen zijn in de overwegingen voor aanvullende chemotherapie | april 2025.
De Nederlandse richtlijn voor de behandeling van alvleesklierkanker adviseert om patiënten binnen twaalf weken na de operatie te behandelen met mFOLFIRINOX (bij een goede conditie) of gemcitabine (bij een minder goede conditie). In de praktijk wegen ook andere factoren mee in het besluit voor aanvullende chemotherapie. Sommige artsen vinden de leeftijd van de patiënt bijvoorbeeld belangrijk. Ook komt het voor dat er complicaties zijn na de operatie, waardoor de behandeling niet kan starten. Uit onderzoek blijkt dat meer dan de helft van de patiënten uiteindelijk geen aanvullende chemotherapiebehandeling krijgt. Dit geldt voor Nederland, maar ook voor andere landen. Hoe oncologen precies tot hun behandeladvies komen is niet bekend. Door dit beter in kaart te brengen, kunnen oncologen van elkaar leren.
Vragenlijstonderzoek in 14 landen toont grote verschillen
De DPCG-onderzoekers stuurden zeven patiëntomschrijvingen en een vragenlijst rond naar oncologen in verschillende landen. Bij elke patiëntomschrijving ontvingen oncologen de vraag of ze aanvullende behandeling zouden geven en waarom wel of niet. De vragenlijst bevatte 35 vragen over de overwegingen voor of tegen aanvullende chemotherapie.
In totaal werkten 91 oncologen uit 14 verschillende landen mee aan het onderzoek, waaronder 19 oncologen uit Nederland. De resultaten zijn gepresenteerd als samenvatting en bevatten geen gegevens uit individuele landen.
Er bleken veel verschillen te bestaan in de overwegingen van de oncologen. Zo zou 15 van de oncologen bij patiënten ouder dan 70 jaar adviseren om af te zien van aanvullende chemotherapie, terwijl 28 andere oncologen de leeftijd van de patiënt helemaal niet zou meewegen in hun advies. De meeste oncologen (79 van de 91) waren het er wel over eens dat áls ze aanvullende chemotherapie na de operatie adviseerden, dat de mFOLFIRINOX de eerste keus zou zijn. Over het moment waarop ze de behandeling zouden starten verschilden ze wel weer behoorlijk van aanpak: dit varieerde van drie weken tot 26 weken na de operatie.
Onderzoek benadrukt belang van gedeelde besluitvorming
Uit dit onderzoek blijkt dat oncologen verschillende benaderingen volgen om tot hun advies te komen voor aanvullende chemotherapie na de operatie. De DPCG-onderzoekers benadrukken dat het belangrijk is om de patiënt actief mee te nemen in de verschillende behandelopties en de overwegingen die hebben geleid tot het advies van de oncoloog.
Meer informatie
De originele Engelstalige samenvatting van het onderzoek is beschikbaar. Klik hieronder op de button.
